Meekrapstoof in Garrelsweer.

Tijdens de Tocht om de Noord werd er door een meneer in een beige overall  voor de kerk op Bovendijks melding  gemaakt dat op deze plaats  vroeger een meekrapstoof had gestaan. Waar die voor diende, dat wist hij niet precies, maar hij wilde de informatie graag met de wandelaars delen.Om eerlijk  te zijn wist ik ook niet tot in detail wat dat was. Maar na enig snuffelwerk op ons onvolprezen internet kom je toch al gauw iets te weten. Het bleek dat een meekrapstoof een verwerkingsplaats was voor de meekap, een landbouwgewas dat door diverse bewerkingen veranderd werd in een natuurlijke kleurstof voor het verven van textiel, met name wol. De kleurstof werd ook bekend onder de namen Alizarine, Kraplak of Turks Rood. De Ruby tinctorum, of te wel de meekrap werd geteeld op bedden van 40 centimeter en het gewas werd ongeveer 14 centimeter hoog. In juli bloeide het met kleine gele bloemetjes die in Nederland geen zaad zetten, vermeerdering ging dan ook  door het poten van uitlopers. Het loof werd uiteindelijk afgemaaid ( het pikken van de meekrap) en daarna begon het delven van de wortels die soms wel tot een meter diept zaten.  Meekrapstoof De meekrapplant was geen gewas waar je snel geld mee kon verdienen. De plant kon pas na twee of drie jaar, in het najaar, worden geoogst. Vervolgens werden de planten door de boeren naar de meekrapstoof vervoerd. De stoof was vaak in eigendom van een aantal landbouwers, ze hadden dan ook een eigen plek in de stoof waar ze hun gewassen deponeerden. De stoof bestond uit een lange schuur (de koude stoof), waar de wortels werden gestort, de droogtoren en het stamphuis. Vaak woonde de droger op de meestoof.(de heerlijkheid). Het bruikbare deel van de plant was de wortel. Die moest eerst worden gedroogd, daarna gezuiverd met dorsvlegels (alle aarde moest eraf) en uiteindelijk worden vermalen tot kleurstofpoeder. Dat vermalen stak nogal nauw; hoe fijner, des te  beter de kwaliteit. Het moest in de nacht gebeuren want daglicht  tastte de kwaliteit van het poeder aan. Het meekrappoeder werd in eikenhouten vaten bewaard en vervoerd. Het werd verkocht aan wolververijen en textieldrukkers. De belangrijkste beurs voor de meekrap zat in Rotterdam. Het is aannemelijk dat het poeder vanuit Garrelsweer per schip naar Rotterdam werd vervoerd. Rond 1900 nam de productie van het meekrappoeder af omdat de ontwikkeling van synthetische kleurstoffen op gang kwam. Het is wel uitzonderlijk dat er in Garrelsweer een meekrapstoof heeft bestaan. De meeste fabrieken stonden in west Brabant en vooral in Zeeland. In 1890 waren er in Nederland 90 meekrapstoven. De voornaamste handel in de verfstof bestond tussen 1600 en 1900. Het jaar 1799 genoemd in een verslag van de "Raden in den Stove van Justitie van 't voormalig  gewest Stad en Lande" als zijnde de het jaar waarin de afgebroken goederen van de meekrapstoof bij de loppersummer Til zijn verkocht.

De handel in meekrap bleef landelijk gezien nog zo'n honderd jaar  bestaan. waarom het in Garrelsweer niet langer floreerde blijft gissen. Was de kwaliteit niet goed of  waren de kosten te hoog door het vervoer naar Rotterdam? Feit is dat de grond aan het Damsterdiep haar vroeg industriële rol verruilde voor een religieuze functie, namelijk de bouw van de nieuwe kerk.