Familieleden van ons kunnen zich nog goed herinneren dat zij als kind zijnde in een bedstee hebben geslapen. Ze vonden het gewoonlijk wel gezellig, maar tijdens onweer raakten ze eens in paniek. Vooral ook omdat de deur voor de bedstee dicht zat. Die hebben ze toen maar open getrapt. Toen wij onze bovenverdieping verbouwden heeft onze jongste zoon ook nog een tijdje in de bedstee geslapen. Als hij een beetje schuin ging liggen, dan paste het precies.


De bedstee kan worden omschreven als een kast of betimmering waarin kan worden geslapen. Het was een gebruik dat voornamelijk voorkwam op het platteland tot zo ongeveer halverwege de vorige eeuw. Ter afsluiting zaten er deuren of gordijntjes voor.
In de jaren zestig bracht Rob Out nog een muzikale ode aan zijn liefste en aan de bedstee:

‘’Ooh kom uit de bedstee mijn liefste,
weet je niet je bent al veel te laat,
het hele dorp is al komen kijken,
naar de bruidegom die in zijn hemdje staat.’’
(tekst Peter Koelewijn)

In de bedstee was ruimte voor meerdere personen. Door de afgifte van lichaamswarmte was er geen noodzaak voor extra verwarming. Een nadeel was het gebrek aan ventilatie, maar men was hier waarschijnlijk wel aan gewend.Uit het boek ‘Bartje’ van Anne de Vries uit 1935 maken we op dat de jeugdige Drent met zijn zusje Riekie, zijn broer Dikke Jan en zijn kleine zusje Geertje van anderhalf in een bedstede sliep. Geertje sliep in een klein kribje aan het voeteneind

Om een indruk te geven van een bijzonder begin van de dag, een citaat uit ‘’’Bartje’’:
‘’ Om vijf uur loopt de wekker af. Hij tiert en lawaait met een driftig stemmetje op de stoel voor de bedstee, vijf, zes tellen, en is weer stil. Dan heeft moeder hem zijn oor omgedraaid. En dan is de nacht voorbij. Dan is het dag. De grote bedstee kraakt, moeder staat op. Zij zet de wekker op de houten schoorsteenmantel, en gaat op de stoel zitten, om haar kousen aan te trekken. Zij zucht vaak terwijl zij dat doet en als zij er mee klaar is, zit zij nog een poos gebogen, met beide handen gesteund in haar rug, suf en verdrietig in de nieuwe dag te staren. Dat is wel gek, dat zij ’s morgens altijd moe is. Bartje is ’s morgens nooit moe.
Als moeder, nog in onderrok, met de fornuisringen rumoert, ligt hij al met de kin tussen twee knuistjes op de bedstee plank de nieuwe dag tegen te lachen. Zijn witte kuifje staat grappig verdraaid omhoog boven zijn bruin gezichtje Zijn ogen, nog wat wazig van de slaap, turen verlangend het kamertje in.’’

In onze bedsteden gaat het er momenteel iets minder nostalgisch aan toe; ze worden verbouwd tot kasten. Maar ook met de nieuwe functie ze vormen een blijvende herinnering aan vervlogen tijden.

Anneke Pier.